Verdiepingscursus verhalen vertellen

    Beschrijving

    verdiepingscursus 2

    Deze cursus biedt een verdieping van de basisvaardigheden voor het vertellen van verhalen.

    Er is aandacht voor verbeeldingskracht en vormgeving. Je ontdekt waar het verschil zit tussen de verteller en de personages waarover hij vertelt.



    In deze cursus wordt gewerkt aan:

    • Het opvoeren van meerdere personages, inhoudelijke en fysieke opbouw van verhaalpersonages en het heen en weer schakelen tussen personages in een verhaal.
    • De positionering van plaatsen en objecten in een verhaal.
    • De drijfveer van de verteller.
    • Ritme, pauze, timing en het afsluiten van de vertelling.

    Er wordt gewerkt aan de hand van een zelf voorbereide vertelling.

    Klik voor de datum en locatie bij het tabblad: Praktisch.

    Praktisch

    Een verdiepingscursus van 4 zaterdag. (Lestijden: 10.00 - 16.30).
    Deze cursus wordt alleen aangeboden in Utrecht.


    Zaterdag 10, 17, 24 maart, 07 april 2018.

    Cursusnummer: V1-2018.
    Docent: Raymond den Boestert.
    Lesgeld: € 305, - (incl. 21% btw -NL).
    Klik hier om je voor deze cursus in te schrijven.


    Deelname verdiepingscursus:
    Voor iedereen die een basiscursus heeft gevolgd en inmiddels enige praktijkervaring heeft opgedaan.  
    Heb je elders een basiscursus/training gevolgd en wil je weten of deze cursus voldoende aansluit? Lees dan de competenties van de Basiscursus (Nieuw venster).
    Zie ook de Veel gestelde vragen aan de rechterzijde van deze pagina. Bij twijfel kun je altijd met ons overleggen.

    jeugdtheaterhuis-de-berenkuilRoutebeschrijving
    In Utrecht huurt de Vertelacademie cursusruimten bij Jeugdtheaterhuis de Berenkuil: Uitgebreide routebeschrijving en detailkaart van Utrecht. Let op! Hier staat ook belangrijke informatie over parkeren.


    Opbouw


    In de basiscursus komen drie belangrijke verteltechnieken aan de orde: de Opbouw van een verhaal, de band tussen de verteller en het verhaal, en de presentatie van het verhaal.

    Wanneer studenten in staat zijn om met die ingrediënten een beeldend verhaal te vertellen, ontstaat de behoefte aan meer mogelijkheden op het terrein van de verteltechniek. Vooral dialogen, flashbacks en tijdsprongen blijken gewenst om de verhalen vorm te geven.

    Daarnaast zijn er in de basiscursus nog aspecten onaangeroerd gebleven: het contact met het publiek, de rol van de verteller en het improviserende vertellen.
    Deze nieuwe invalshoeken komen aan de orde in de verdiepingscursus.

    verdiepingscursus 3Het programma omvat de volgende elementen:

    Verhaaltechniek
    Het vergroten van het expressieve vermogen van de vertellen (Het ruimtelijk verbeelden van het verhaal tijdens het vertellen.)
    Roltechniek
    Het uitwerken van verschillende personages in het verhaal, zodat zij in de directe rede kunnen worden opgevoerd. (Dialoog)
    Het stemgebruik bij het opvoeren van personages.
    Het bepalen van de rol van de verteller. Wat wil de verteller met het publiek bereiken. Wat betekent dat voor de sfeer en de toonzetting van het verhaal.
    Verteltechniek
    Het ontdekken van de eigen vertelstijl. Het openen en afsluiten van een verhaal.


    Er wordt tijdens de cursus gewerkt met een door de studenten van tevoren  voorbereid verhaal.



    Competenties

    In de verdiepingscursuscursus wordt aan de onderstaande competenties gewerkt.  

    De student(e):

    • Ontwikkelt een zekere vaardigheid in het ruimtelijk neerzetten van een verhaal met behulp van het aanduiden van de plaats van de details, weet herhalingen te voorkomen door het non-verbaal aanduiden van de details en kan de gekozen positionering van de details herhalen.
    • Verwerft inzicht in de rol van de verteller en kan een drijfveer kiezen die aansluit bij het doel van de vertelling.
    • Ontwikkelt een zekere vaardigheid in het weergeven van de verschillende varianten van dialoog in een vertelling. Kan meerdere vertelpersonages ontwikkelen en kan tussen deze personages schakelen.Heeft kennisgemaakt met de mogelijkheid van stemgebruik tijdens het weergeven van personages.
    • Verwerft een zekere vaardigheid hoe hij zijn stem kan opwarmen voor een optreden.
    • Verwerft inzicht in timing binnen een vertelling. Weet op het juiste moment pauzes te nemen en kan een verhaal zorgvuldig afsluiten.
    • Heef d.m.v. een groepspresentatie de stof van de cursus in een verhaal geïntegreerd.

    Opdrachten

    Anders dan in de Basiscursus hoef je bij de verdiepingscursus niet op zoek te gaan naar een verhaal. Voordat de cursus begint mailen we alle deelnemers drie verhalen. Ze zijn zo gekozen dat je met deze verhalen aan alle vaardigheden kunt werken die in de cursus aan bod komen. Uit deze drie verhalen kies je er één uit om tijdens de cursus aan te werken.
    Iedere deelnemer werkt in de lessen aan een eigen versie van het gekozen verhaal.


    Opdracht voor de eerste les

    De eerste lesdag wordt er o.a. aandacht besteed aan 'het ruimtelijk neerzetten van je verhaal.' Er wordt aandacht besteed aan de positionering van de plekken en objecten die in een verhaal voorkomen. Kortom: waar is wat?

    • Maak een keuze uit één van de drie verhalen en lees het een aantal malen goed door, zodat je de grote lijnen kent. (Je kunt alvast, zoals in de basiscursus, de opbouw analyseren en tekeningen maken).
    • Kies een verhaalfragment waarin een plek (gebeurtenis) wordt beschreven. Bijvoorbeeld: het gevecht met de draak, de Pinkerstraat, of het moment dat de soldaat met de in de fles gevangen geest naar huis gaat. Kies hier niet voor de gemarkeerde dialoogtekst die bedoeld is voor de tweede les.
    • Zorg er voor dat je dit fragment in eigen woorden kunt navertellen. Je mag de beschrijving uitbreiden of aanpassen aan je eigen ideeën.


    Opdracht voor de tweede les


    In het door jou gekozen verhaal is een dialoog gemarkeerd. Bereid deze dialoog zo voor dat je er in de les mee kunt werken:

    • Zet waar je dat nodig vindt de dialoogzinnen om in je 'eigen woorden.'
    • Kijk waar je zinnen die de alwetende verteller tijdens de dialoog uitspreekt kunt laten vervallen (dit zijn de zinnen in de dialoogtekst die niet onderstreept zijn), zodat de dialoog vlotter loopt.
    • Leer de dialoogzinnen uit je hoofd (maar stel je er op in dat je van de docent opdrachten krijgt waardoor je de tekst in de les verder zal aanpassen).

    Lees, als je klaar bent met jouw voorbereiding, ook de twee andere verhalen uit de cursus nog eens door. We werken deze dag veel in kleine groepjes en het is voor de samenwerking handig om elkaars verhalen in grote lijnen te kennen.


    Opdracht voor de derde les


    De derde les wordt er gewerkt aan 'de verbinding van de verteller met het verhaal' en aan 'timing.' Het ochtenddeel rond verbinding is een vervolg op de basiscursusles over emotie (de opdracht met de voorwerpen).

    Lees voor het ochtenddeel, het door jou gekozen verhaal nog eens rustig door. Ga bij jezelf na; ‘Welk verhaalgedeelte of beeld raakt mij echt? En benoem voor jezelf eens waarom.
    Neem iets mee waarvan jij vindt dat het symbool staat voor de gebeurtenissen in dit deel van het verhaal: Een afbeelding, een voorwerp, een zelfgemaakte tekening, een lied, een gedicht etc.

    Voor de middagopdracht rond timing bereid je een fragment uit je verhaal voor waar je nog niet aan hebt gewerkt. Let er op dat het fragment niet alleen maar dialoog bevat.


    Opdracht voor de vierde les

    • Bereid het verhaal zo voor dat je het in de les kunt vertellen. Zet het verhaal naar eigen hand; Neem de ruimte om dingen in het originele verhaal te veranderen of aan jouw interpretatie of ideeën aan te passen.
    • Als de locatie waar het verhaal zich afspeelt in het gekozen verhaal wisselt, maak dan ook een plattegrond voor deze tweede locatie (zie eerste les).
    • Kies voor jezelf één in de cursus behandelde vaardigheid waar je de laatste les nog aan wilt werken. Het kan helpen hierbij een werkvraag te bedenken.
    • Let op de lengte van het verhaal. Neem de ruimte om het verhaal in te korten door passages te schappen.


    Na de laatste les


    Ga na afronding van de verdiepingscursus aan de slag om de in de cursus geleerde vaardigheden toe te passen in de praktijk. Werk bij iedere vertelling telkens aan één van de volgende vaardigheden; Plaatsing van het verhaal in de ruimte, de verschillende varianten van dialoog, verbinding en timing.
    Laat je niet ontmoedigen; Het vraagt tijd om het geleerde consequent in de praktijk toe te kunnen passen. Na een tijdje gaat het vanzelf! Onder het tabblad Praktijk vind je een aantal opdrachten waarmee je kunt oefenen.

    De weekendworkshop Vertellen en theater vormt een verdere verdieping op de vaardigheden die in de verdiepingscursus zijn behandeld.

    Veel Succes en plezier!

    Leerroutes

    De Verdiepingscursus maakt deel uit van de Leerroute (1) Vertellen voor kinderen tussen 4-14 jaar en Leerroute (2) Vertellen voor een groot publiek.

    Volg je een leerroute laat dan minstens een half jaar tussen de basis- en verdiepingscursus. Zodat je kunt werken aan je praktijkopdrachten (10 maal vertellen aan publiek). Wel kunnen in deze periode workshops gevolgd worden.

     
    Na de verdiepingscursus
    Na afronding van de verdiepingscursus gaat de student aan de slag om de in de cursus geleerde vaardigheden toe te passen tijdens de 'praktijkopdracht vertelervaring'. Je voert de opdrachten uit die je vindt onder het tabblad Praktijk. Mogelijk heeft de verdiepingscursusdocent jou bij deze opdrachten aanvullende aandachtspunten meegegeven.
    Bij de verslaglegging van de praktijkopdrachten in het portfolio vertelervaring reflecteer je expliciet op de voorbereiding en de uitvoering van deze oefeningen. Gebruik hiervoor de reflectievragen die bij de opdrachten staan. Wanneer je de verdiepingscursusdocent op de hoogte brengt van de uitvoering van alle opdrachten begeleidt hij de oefeningen in het portfolio vertelervaring (ongeveer 5 maanden na afronding van de verdiepingscursus).

    IntervisieAan het eind van de verdiepingscursus worden de leerroute studenten door de docent in (een of) twee groepen ingedeeld. Iedere groep plant (afhankelijk van hoe de schoolvakanties vallen) een bijeenkomst die circa 5 maanden na afronding van de verdiepingscursus zal plaatsvinden. Tijdens deze bijeenkomst wisselen de studenten hun ervaringen uit tijdens het uitvoeren van de opdrachten.



    intervisie2Tip: Regel voor dat je met de verdiepingscursus begint alvast een aantal optreedmogelijkheden voor na de cursus, zodat je snel aan de slag kunt! 

    Tip: zorg ervoor dat je de de opdrachten hebt uitgevoerd voordat je de workshop Theater en vertellen gaat volgen.

    Praktijk

    Opdrachten voor na de Verdiepingscursus Verhalen Vertellen

    In de Verdiepingscursus verhalen vertellen komen een aantal verteltechnieken en vaardigheden aan de orde: de plaatsing van het verhaal in de ruimte, de verschillende varianten van dialoog, timing, en verteldoelen. Om deze technieken en vaardigheden optimaal te kunnen inzetten is het goed om deze na de cursus, in de eigen vertelpraktijk, een aantal keren te oefenen. Richt telkens, bij de voorbereiding en uitvoering van een vertelling, de aandacht op één van deze onderwerpen.

    Hieronder staan een vijftal oefeningen die je daarbij kunt gebruiken.

    Voor de studenten van de leerroutes zijn deze oefeningen onderdeel van hun leerroute. Volg je een Leeroute, lees dan de aanwijzingen op het tabblad Leerroutes.

    Oefeningen Ruimte

    1. Past jouw verhaal in de ruimte?
    Opdracht
    Maak tijdens de voorbereiding van je verhaal een (of meerdere kleine) landkaart(en) van de vertelling waarin je de ruimtelijkheid van de scènes vastlegt. Onderzoek op de plaats van optreden, aan de hand van je landkaart, op welke manier het verhaal in die ruimte past. Let vooral op objecten, ramen en deuren die al aanwezig zijn. Pas de beelden in je vertelling indien nodig aan (Welke details, welke geuren en kleuren).

    Evaluatie
    Reflecteer na afloop op de volgende punten:

    • Paste het verhaal in de ruimte (Wat zou je eventueel een volgende keer nog willen wijzigen?)
    • Zag je zelf de scènes in de ruimte voor je en kon je die gegevens in je verhaal gebruiken?
    • Was het mogelijk om met eventuele ruimtelijke veranderingen tijdens je vertelling om te gaan?
    • Hadden de objecten in de vertelling een reële grootte?
    • Had je het idee dat de vertelruimte voor het publiek voelbaar was?


    2. Het verhaal is verhuisd
    Opdracht
    Verhuis je verhaal naar een andere locatie, een andere stad, een ander land of een andere tijd. Houdt daarbij rekening met de doelgroep van je vertelling. Teken in de voorbereiding van je verhaal de landkaart, of pas de bestaande landkaart aan de nieuwe situatie aan. Pas ook de beelden in je vertelling aan de nieuwe situatie aan.

    Evaluatie
    Reflecteer na afloop op de volgende punten:

    • Was het mogelijk om het verhaal te laten verhuizen? Welke problemen kwam je tegen? Welke oplossing heb je daarvoor in het verhaal gevonden?
    • Wat voor invloed had het verhuizen op jouw vertelling?
    • Paste deze nieuwe locatie bij het publiek?


    Oefeningen Dialoog

    1. De eenzijdige dialoog
    Opdracht
    Creëer in een vertelling (dat kan ook in een vertelling zonder dialogen) een korte eenzijdige dialoog. Een dialoog die je gebruikt om de karakters van twee personages in de vertelling beeldend te introduceren.

    Evaluatie
    Reflecteer na afloop op de volgende punten:

    • Is het gelukt om die dialoog vloeiend en levendig neer te zetten?
    • Ben je op problemen gestoten? Welke?
    • Wat zou je bij een tweede versie verbeteren?


    2. De tweezijdige dialoog
    Opdracht
    Zoek een verhaal waar twee korte dialogen in voorkomen. Eén van deze dialogen wordt met behulp van de 'kijkrichtingen' vormgegeven, de andere met behulp van 'houdingen van de twee personages'. Bereid beide dialogen voor. (Het is ook mogelijk om een verhaal met één dialoog te kiezen. Het verhaal moet dan twee maal verteld worden. Bij voorkeur op één dag om te kunnen vergelijken).

    Evaluatie
    Reflecteer na afloop op de volgende punten:

    • Is het gelukt om beide dialogen vloeiend en levendig neer te zetten?
    • Welke vorm ervoer jijzelf als het meest geslaagd? Waar lag dat aan?
    • Hoe reageerde je publiek op beide vormen?
    • Welke verschillen vielen je tussen de beide vormen op?


    3. De verborgen dialoog
    Opdracht
    Zoek een verhaal waar een langere dialoog in voorkomt. Analyseer de dialoog tijdens de voorbereiding en zet even op een rij wat de drijfveren en de handelingen van de personages tijdens die dialoog zijn. Vertel als oefening een paar maal die passage uit je verhaal als een ooggetuigenverslag (van de alwetende verteller).

    Evaluatie
    Reflecteer na afloop op de volgende punten:

    • Is het gelukt om vloeiend verder te vertellen op het moment, in het verhaal, waar de dialoog was gesitueerd?
    • Is het gelukt om formuleringen als "Hij dacht" "Hij riep" en "Hij vond" te vermijden?
    • Welke versie (met of zonder dialoog) vindt je passender? Waaraan ligt dat?

    Veel succes met experimenten!!



    Forumonderwerp

    In de verdiepingscursus wordt onder andere dialoog en het ruimtelijk neerzetten van een verhaal getraind. Geïnspireerd door een video van een Amerikaanse verteller ontspon zich op het Vertelforum een discussie over dit thema.